Lees een stukje
KLANG!
Het geluid weerkaatste door de stille nacht.
Verschrikt keek Dolfje over zijn schouder.
Achter hem lag de straat met de lantaarns.
Aan beide kanten stonden auto’s.
Doodstil, alsof ze sliepen.
De blauwe mist was opeens dikker.
Links en rechts verschenen schaduwen.
Het leek of ze onder de auto’s uit kropen.
Ze groeiden als inktvlekken.
Steeds langer werden ze.
Er klonk gegrom en gegrauw.
‘Oei!’ dacht Dolfje.
Een rilling gleed over zijn behaarde rug.
Zijn keel voelde dik.
Hij kon moeilijk slikken.
Snel naar huis, dacht hij.
ZJOEFF!
Een ijzeren deksel kwam aansuizen uit de mist.
Hij blonk en glom als een vliegende schotel.
Dolfje bukte net op tijd.
Het deksel kletterde vlak achter Dolfje.
KLANG!
Daar bleef het deksel rondtollen op de stenen:
Wieuwieuwieuw…
Tot het neerviel – KLENG! – en stil bleef liggen.
Toen pas hoorde Dolfje het lied.
Grommende stemmen zongen:
’t Was nacht.
’t Was nacht.
’t Was midden in de nacht.
Toen hoorde ik een vreselijk gelach.
Het was de…
Het was een raar lied.
Dolfje wist niet wat het betekende.
Het klonk griezelig.
Misschien door de rare tekst.
Misschien door de schurende stemmen.
Ze klonken erg vals.
Dolfje maakte dat hij wegkwam.
De stemmen achtervolgden hem.
’t Was nacht.
’t Was nacht.
’t Was midden in de nacht…
Dolfje rende tot hij thuis was.
Hij stopte niet meer.
Keek niet meer om.